Januari is niet mijn maand en dat is zachtjes uitgedrukt. Hij is voorbij en langzaam komen mijn energie en lichtheid terug op hun oude niveau. De zon scheen vandaag
zowaar (hoewel het ook nog sneeuwde) en de dagen lengen. Het is
intrigerend hoe die januari-blues werkt – en hoe ik er elk jaar weer instink. Een reconstructie.
In september ligt de wereld aan mijn voeten: alles kan, er
zijn fantastische plannen, wat we hebben bedacht gaan we ook echt doen. Ik heb
alleen maar leuke klassen, de relaties zijn nog onbezoedeld en vrij van
conflicten. Leerlingen zijn enthousiast, er is belangstelling van buitenaf voor
wat we doen op school, alles ligt nog open en de ambities zijn huizenhoog. Ik
doe de dingen op vleugels, meld me aan voor een onderzoekstraject, en krijg
steeds meer energie van alles wat op mijn pad komt. We hebben de opening van
ons e-l@b, de eerste Klooiavond, ik schrijf stukjes die goed zijn gevallen, er
komt een filmploeg, er zijn talloze excursies in de eerste maanden. Kortom:
alles bruist en borrelt.
Het wordt november: de eerste haarscheurtjes
manifesteren zich. Resultaten van toetsen en werkstukken vallen tegen, werk in
de sectie blijft liggen, er valt geen land te bezeilen met een rumoerige
brugklas, voor het schrijven van een onderzoeksvoorstel is veel te weinig tijd,
de ICT-ondersteuning blijkt uitpandig te zijn gereorganiseerd, de sfeer in een
2 Havo-klas is niet bepaald stimulerend voor de creatieve vermogens van
leerlingen die kunst wél leuk vinden. De dagen worden donkerder en kouder en de
energie gaat op aan verkoudheden. Op haren en snaren haal ik de kerst: met elan, dat wel, en
plezier, ook dat. Maar ik zie vanuit mijn ooghoeken dat de haarscheurtjes
groter zijn geworden. Het zijn echt kieren geworden. Maar dat besef schuif ik
voor me uit: eerst vakantie.
Dan is het opeens januari. En alles waarvan ik
had weggekeken, grijnst me lelijk toe: de website met onze onderbouwopdrachten schiet
niet op, de kwaliteit van het werk van mijn examenklas valt tegen, ik maak me
zorgen over het aantal bovenbouwleerlingen volgend jaar. Hoe krijgen we taaie materie als digitale geletterdheid gethematiseerd terwijl teveel laptops het niet doen, hoeveel klassen zijn er nou eigenlijk
aan het werk in dat e-l@b, met welke collega’s zouden we ook weer een project
doen? En waar haal ik de tijd en energie vandaan?
Ja, het glas dat half leeg is én half vol. Ja, ik moet me al
die dingen niet persoonlijk aantrekken. Ja, ik moet mijn zorgen delen. Ja, ik
moet niet piekeren, maar tot handelen overgaan. Ik weet het allemaal en ik doe
het ook, maar mán wat kost me dat een energie. Dat is januari.
En dan is het februari – goddank.
Eindelijk weer een blog.
Een campagne ‘Kies Kunst’ en ‘kies MAD’ waarin leerlingen zelf vertellen waarom
het zo leuk is.
Een brainstormsessie over de volgende stap digitale geletterdheid.
Goeie gesprekken met mijn collega’s en mijn rector.
En relativering. En humor. Dat vooral.
Dus vooruit met de geit. Niet lullen maar poetsen. Op tijd
naar bed en een beetje doorbijten. Dan wordt het vanzelf weer licht. En
lichter. En dan zie ik weer wat we allemaal bereikt hebben in een jaar. En wat
voor prachtige dingen leerlingen (heus wel) hebben bedacht en met hoeveel
plezier ze eraan gewerkt hebben.
Vorige week kwam een oud-leerling op bezoek. Hij studeert
inmiddels filosofie en is bezig met de afronding van zijn master. ‘Ja, ik was
niet zo goed, en ik deed niet zo veel in de les, maar kunst was wel het vak waar ik
achteraf het meeste aan heb gehad. Want daar ging het ergens over.’
Kijk. Dat kan een mens dan wel even gebruiken: op naar het
majeur-akkoord!
Afgelopen vrijdag was opeens Johannes Visser, correspondent van De Correspondent, in mijn klaslokaal. Hij interviewde mij. Ik was vereerd en een beetje in de war - want heb ik zélf alles wel goed doordacht wat ik doe en probeer met die digitale dingen? Daarom schreef ik midden in de nacht nog een brief aan hem, bij wijze van uit de hand gelopen naschrift. (Ik had geen tijd voor een korte, dus het werd een lange...)
“Beste Johannes,
Je was bij ons op school vanmiddag, het Kamerlingh Onnes in Groningen.
En we hebben elkaar even gesproken, onder andere over het vak MAD: de combi van
Kunst & Informatica dat Media, Art & Design is geworden en waar we dit
jaar mee beginnen zijn in Atheneum 4.
Ik jokte een beetje. Toen ik zei dat ik ALLES van je lees.
De afgelopen twee weken heb ik namelijk verzuimd, omdat we het zo druk hadden
met digitale dingen. Iets met de opening van een e-l@b op een zusterschool en
een onderwijsdag die Openbaar Onderwijs Groningen organiseerde en waar ik dan
wat workshops gaf. Over maakonderwijs (ook zoiets).
Maar goed. Pas na je vertrek las ik waar je mee bezig bent
dezer dagen: onderwijs en technologie en meer specifiek programmeren in het
onderwijs. Waarom dat wel of niet zou moeten. Heel goed, relevant en belangrijk
om daar eens flink kritisch naar te kijken. Ons gesprek veroorzaakte een hele rivier
aan nagedachten bij mij, waarvan ik twee stroompjes opteken.
1. iets over
programmeren en algemene vorming
Het is jammer dat je mijn informatica-collega niet hebt
gesproken (de andere docent van ons
nieuwe vak Media, Art & Design, ES). Die heeft (als één der laatste
Mohikanen als het gaat om Informatica-docenten) veel meer zinnigs te zeggen
over programmeren op school. Als theoretisch pedagoog zeg ik alvast dit: vanuit
het idee van Algemene Vorming zou je je kunnen afvragen of informatica (of meer
specifiek: programmeren) in het curriculum thuishoort en niet eerder in het
beroepsonderwijs. Zoals je zelf al zei: waarom niet vooral thinking
leren op school in plaats van computational thinking? Eén van zijn
argumenten zou zijn, denk ik, is dat je juist binnen het vak informatica leert
op een wiskundig-logisch wijze na te denken (hij is behalve informaticus
overigens ook wiskundige). Analytisch denken, abstraheren, in sequenties denken
kan je (moet je) natuurlijk binnen verschillende contexten leren; daar heb je
in principe geen programmeertaal voor nodig. Maar onze kennis van de wereld
komt steeds meer in gedigitaliseerde vorm tot ons, we zijn afhankelijker van
digitale apparaten, communicatie, gegevens. Het is naïef om te denken dat
leerlingen dat allemaal uit zichzelf wel snappen omdat ze de hele dag aan het
whatsappen en instagrammen zijn. Er zijn teveel leerlingen die geen idee hebben
van de wereld die achter de touchscreens en interfaces schuil gaat: noch de
structuren, noch de ‘taal’. Alleen de discussie voeren over programmeren op school
is dan ook te beperkt. Het gaat om het hele digitale domein: basiskennis ICT, informatievaardigheden,
mediawijsheid. Computational thinking en programmeren maken daar deel van uit.
Juist op dít vlak is het de taak van het algemeen vormend
onderwijs om álle leerlingen de taal en vaardigheden te leren waarmee ze de hen
omringende digitale wereld niet alleen beter begrijpen. Receptief, maar ook
kritisch en actief: hoe kunnen de burgers van straks een bijdrage te leveren
aan die digitale wereld. En het helpt om dat nu op school met die digitale
middelen zélf te doen. Het gaat dus om demystificatie, begrip, emancipatie én
het naar je eigen hand zetten, liefst creatief, scheppend. Moet je daar een
apart vak voor maken? In de onderbouw niet, denk ik. Dat hebben we al gehad
(informatiekunde) en dat is jammerlijk mislukt: geschrapt, wegbezuinigd,
opgelost in andere vakken, maar niet samenhangend aangeboden, beschreven en
geborgd. Op zeker moment ontstond er in het onderwijs zelfs de
overtuiging dat kinderen die basale digitale vaardigheden zelf wel zouden oppikken:
kritisch omgaan met bronnen, informatie ordenen, een bestand opmaken, bewaren
(al dan niet in de cloud) en naar iemand sturen, een veilig wachtwoord
aanmaken.
Nou niet dus. Best wat kinderen kunnen googelen en een powerpoint
maken als ze in de brugklas komen: als ze een meester of juf hebben gehad die
dat belangrijk vonden, thuis een computer hebben, ouders hebben met kennis van
zaken, tijd en aandacht. Natuurlijk heb je de gisse jongetje die los gaan met
minecraft en websites, maar veel te veel kinderen kennen alleen
consumententoepassingen: spelletjes downloaden en spelen, facetimen, iets kopen
via Internet. En daar wordt het, zie ik ook bij mij op school, schrijnend. Een
doorgaande leerlijn digitale geletterdheid moet niet uitmonden in een apart
vak, maar alle digitale vaardigheden zouden in alle vakken een geïntegreerde
plaats moeten krijgen – inclusief computational thinking en programmeren.
Maar ook
al zo ver zijn we nog niet.
2. iets over analoge
en digitale media, inhoud en maken
Je hoeft geen neo-luddiet te zijn om kritisch te staan
tegenover de het tempo waarin digitale technologie zich ontwikkelt. Een niet te
onderschatten neo-libarale macht is de drive van alle over elkaar heen
buitelende software-updates en nieuwste smartphone-generaties. Ikzelf probeer
in mij persoonlijke leven terughoudend te zijn ten opzicht van digitaal
media-gebruik, en dat valt niet mee. Ik ben het hartgrondig met je eens wanneer
je stelt dat de smartphone verslavend (zie het artikel van Johannes Visser hierover, ES) is en gif voor puberhersens die nog
moeten léren denken (stevig, met aandacht, grondig, gestructureerd en
structureel) als je ze ongelimiteerd hun gang laat gaan met dat ding – en dat
je je (als je dan zo’n telefoontas in je klaslokaal hebt hangen) als docent al
teveel een knieval doet wanneer je elke les een kahoot-kwisje doet (want idd 24
appjes, 3 insta-meldingen etc.).
Maar die apparaten zijn er. En ze gaan niet
meer weg.
Een hele generatie alleen vertellen wat ze níet moeten doen met
die apparatuur, veronderstellen dat ze vanzelf wel mediawijs worden en in het
beroeps- en hoger onderwijs ervan uitgaan dat ze zich opeens digitaal wel
redden is armoedig.
Veel digitale toepassingen bieden immers ook fantastische
nieuwe mogelijkheden, wat mij betreft náást de analoge, niet per se in plaats
van. Je kan een wiskundig object tekenen met potlood op papier, maar ook
ruimtelijk in een 3-D-programma ontwerpen (met een behoorlijke portie rekenwerk)
én ‘m uitprinten om te kijken of het klopt wat je hebt bedacht. Je ontwerp
steeds opnieuw aanpassen en variaties maken is makkelijker op de computer dan
op papier. Of een arduino met een bewegingssensor gebruiken om een
voetgangersstoplicht langer op groen te laten staan, wanneer een bejaarde (met
chip) wil oversteken (projectje bedacht door een leerling binnen dat vak MAD).
Als je snapt hoe photoshop werkt door het zelf te doen, en je eigen portret extreem
te verfraaien (of nog leuker: te verdraaien), word je je bewuster van de
gemanipuleerde wereld om je heen. Etcetera. Heb je daar een uitgebreid
geoutilleerd e-l@b voor nodig? Niet per se, maar het helpt wel als je digitale spullen
hebt die van nu zijn en die het doen. De relevantie van wat leerlingen leren
wordt in ieder geval vergroot.
Niettemin. Het blijven media, die spullen: middelen, geen
inhoud. De uitdaging is om die middelen te koppelen aan onderwijsinhoud waarmee
je leerlingen in staat stelt zélf iets te verzinnen, te maken. Daar heb je een
nieuwsgierige en onderzoekende houding voor nodig. Die digitale middelen zijn
tamelijk geavanceerd, technologische ontwikkelingen en de opvolging van
softwareversies gaan sne, ik noemde het al. Het gaat er dus om die leerlingen
zelf dingen uit te laten zoeken: hoe werkt dit apparaat, deze applicatie, wat
is het achterliggende principe, wat kan ik er zelf mee? Dat proberen we onze
leerlingen binnen MAD aan te reiken.
Ik ben kunstdocent. Niet voor niets. Mijn vak gaat over het
koppelen van inhoud aan vorm, op een persoonlijke manier. Betekenisverlening,
interpretatie, je uitspreken en verhouden tot de wereld. Binnen de kunsten maak
je iets: met een bepaald materiaal, dat je verhaal versterkt, met een passende
techniek. Dat is altijd zo geweest, en dat kan niet anders. Digitale
technologie is een uitbreiding van het palet van media. Elk medium heeft z’n specifieke
zeggingskracht en mogelijkheden. In de cyclus van doen, ervaren, kijken (of
luisteren), benoemen, en daarop reflecteren leer je die verschillende
uitdrukkingswijzen te onderscheiden. We leren onze leerlingen hun eigen thema’s
te formuleren (eerst tamelijk gestuurd, allengs steeds vrijer), kritisch na te
denken over wat ze willen vertellen en vooral waarom. En waarom dat dan
met dít materiaal en déze techniek moet. Soms in waterverf, soms met de
lasersnijder. Of een combinatie natuurlijk. En met elkaar, in een
leergemeenschapje, waarin we ze leren elkaar te bevragen en te helpen. As
docent reiken we thema’s aan en materialen en technieken: analoge én digitale.
Dat doen we vanuit het principe van maakonderwijs, een model dat naadloos
binnen het kunstonderwijs past. Maakonderwijs-didactiek koppelt technologie aan
creativiteit: onderzoeken en ontdekken hoe iets werkt, wat ze zeggingskracht
van iets is, en dan bedenken wat je er zelf mee wilt doen.
Ik denk dat we zo, binnen MAD, maar ook binnen de andere
kunstvakken in de onderbouw, een productieve, aan inhoud gekoppelde, creatieve,
persoonlijke en relevante bijdrage leveren aan de digitale geletterdheid van
onze leerlingen. Maar ook hier geldt: we zijn nog maar net begonnen…
Het was leuk om je te spreken. Ik ben erg benieuwd wat je
met je observaties gaat doen. En ik ga vanaf nu weer alles van je lezen ;-)
‘Zo. Nu wordt de maandagmiddag eindelijk leuk.’ Dat is best
een uitspraak voor een leerling uit Atheneum 4 die net z’n eerste maandag na de vakantie heeft
gehad. En die les duurde maar liefst 3 uur. Achter elkaar. Nogal
een overgang voor deze jongen, die acht weken vooral heeft zitten gamen en
programmeren en nu weer in ‘t gareel moet. En blijkbaar viel het niet tegen.
Overgangen hebben we natuurlijk allemaal alweer riant gehad (en
dan nóem ik niet eens de overgangen van de rapportvergaderingen in juli – 3
levens geleden). Opeens is zo’n vakantie dan toch echt voorbij en we moeten
schakelen van zonnebrand naar code oranje. Van tijdloosheid naar 200 % inzet. Van
stilstaan naar heel hard hollen. Naast de gebruikelijk dingen met grote
hoeveelheden leerlingen, boeken, roosters, plattegronden, dummies en lijstjes ‘things-to-do’
die ondanks alle goede voornemens tóch nog zijn blijven liggen, waren er dit
jaar ook: de eerste les MAD
– media art & design met Atheneum 4 (en ja, de betreffende leerling van het
maandagmiddagcitaat was in díe MAD-les), de inrichting van ons e-l@b, een
verdubbeling van onze kunstsectie (niet alleen in aantal, maar ook in
disciplines: we hebben bijvoorbeeld opeens een collega die kunst en natuurkunde
geeft). Allemaal nieuwnieuwnieuw. En een eigen kind in de brugklas maakt de overgang van de
veilige groep acht met vertrouwde en overzichtelijke dagen, mensen en leertaken
naar de middelbare school wel heel erg voelbaar. ‘Het is wel leuk, hoor mam,
maar het is zo véél.’ En ja: hij is echt zwaar, zo’n brugklastas.
In mijn eerste schoolweek was er ook nog een intens en
inspirerend doe-het-zelf-festival
in de Drentse bossen, een even inspirerend eerste redactietreffen in Tilburg van
het blad Kunstzone waar ik tegenwoordig voor
schrijf
(lees dit blad! En nu zeker: van binnen en van buiten geheel gerestyled!) en
het laatste basisschoolfeestje van de brugklasdochter. Dan móet je schakelen: van
overgang naar overgang wat veel ‘food for thought’ oplevert. Wat blijft, wat
kan weg, wat moet anders?
Er zijn bij mij op school dingen ten goede veranderd ten
opzichte van vorig jaar: geen dwingende bel meer, telefoonzakken
in de klassen. Dakpanklassen, opnieuw actief taalbeleid, meer differentiatie in
de les. Er is groei: tien brugklassen in plaats van zes, meer jonge collega’s.
Er staan mooie dingen op stapel: best
veel vakoverstijgende projecten, pilots digitale geletterdheid, een Da
Vinci-project, ‘klooiavonden’ in het e-l@b. Geen teamvergaderingen, veel zelf
te besteden sectietijd met krakelingen en Turks Fruit. Geen agenda’s en
notulen, maar het whiteboard en de groepsapp. Kortom: we schakelen volop.
Dat moet ook. Want ondertussen zien we om ons heen allerlei maatschappelijke
overgangen: in onze manier van werken (de 24/7 economie, verregaande robotisering), onze manier van leren en communiceren (VR als onderwijsmodel), onze omgang met de opwarmende aarde. Talloze transities in politiek, technologie, samenleven: er ontstaan alternatieven, we delen, we doen de dingen bottom-up en tailor-made.
Lang niet alle overgangen omarm ik, er zijn veel transities die me grote zorgen
baren. Maar stilstand in een snel veranderende wereld is echt achteruitgang en
een herijking van wat we onze leerlingen bijbrengen is hoogstnoodzakelijk – zo veel
is duidelijk. Het duurt alleen zó lang voor het reguliere onderwijs meebeweegt,
grotere stappen in flexibilisering maakt. Wanneer verloopt die overgang PO – VO
eindelijk eens soepel, wanneer slechten we de drempels tussen de vakken,
wanneer mag een leerling getrapt examen doen op verschillende niveaus, wanneer
verdwijnen die rigide examens überhaupt?
Het project MAD op mijn school geeft hoop, wat mij betreft.
Het recept is eenvoudig: kijk over de grenzen van je vak de wereld in, rooster
de vakken Kunst en Informatica achter elkaar op maandagmiddag, leer als
vakdocenten elkaars taal spreken, krijg leerlingen zo ver dat ze de beide
vakken kiezen en je hebt een nieuw vak waarin creativiteit, technologie,
onderzoek, experiment en samen ontwikkelen centraal staan. Een relatief kleine
stap, met grote effecten.
Mijn motivatie voor dit nieuwe schooljaar haal ik uit dit
soort kleine stappen die – dat hoop ik dan maar – uiteindelijk tot de overgang
naar een grotere verandering leiden. Ik kan niet wachten tot de volgende stap.
* Voor mijn vrouwelijke generatiegenoten: gefopt! Dit blogje
ging niet over waar je dacht dat het over ging ;-)
Woensdagochtend CKV. Het is doodstil in mijn vierde klas.
Best lang. Geen kuchje, geen geschuifel, geen gevatte opmerkingen. Een praatgraag meisje kijkt voor zich uit. Haar buurman kijkt naar zijn handen. We hebben net gekeken naar de openingsscène van de film ‘Son
of Saul’, Grand Prix winnaar Cannes in 2015. Vorige week onderbrak de
bel-die-niet-ging de op zich al verontrustende scène die veel scherpte-diepte
laat zien, maar dat was nog niet het heftigste stukje. Dat stond vandaag op het
programma. En dat hakte er in: een joodse Auschwitzgevangene (van het 'Sonderkommando') die net aangekomen Joden naar de gaskamers begeleidt. Ze denken
dat ze gaan douchen. Dan gaan de deuren dicht. Je ziet niets; je hoort des te
meer. (Op YouTube
is alleen het eerste deel van deze scene te vinden. Vul de rest zelf in.)
Ik heb me afgevraagd of ik dit wel moest laten zien. Ik
sprak met mijn collega over de keuze van de filmfragmenten. We hebben het
namelijk over filmtaal: montage, decoupage, close-up, hand-held camera, scherpte-diepte. En hoe je met beelden en geluid een verhaal kan vertellen. We
analyseren een aantal fragmenten, uit divers aanbod. Van klassiekers als ‘Once
upon a time in the West’ tot 'Mad Max' (ja, de nieuwste uit 2015). En Son of
Saul. Geen lichte kost. Dat kan ook met Disney-films. Maar dan is het nadien
niet zo stil.
Met CKV doen we cultureel laagdrempelige dingen: iets met
film, iets met fotografie, iets met muziek. We praten over inhoud en vorm. We
geven leerlingen begrippen waarmee ze kunnen analyseren. We laten ze
concluderen dat de muziek waar ze elke dag naar luisteren ook cultuur is. Dat
de series die ze op Netflix bekijken met dezelfde beeldtaal gemaakt zijn als de
fragmenten die we bekeken hebben. In mijn vierde klas legt iemand de relatie
tussen het bekeken filmfragment, Trump en de vluchtelingencrisis.
Veel van onze leerlingen vinden kunst en cultuur op voorhand
stom: ver weg, elitair en onbegrijpelijk. In ieder geval niet iets voor hen.
Want het hangt in musea of het is in een theater. Het is duur en het slaat
nergens op. En alleen oude mensen gaan er naartoe.
Veel van onze leerlingen komen uit cultureel armoedige milieus. Ze hebben
baantjes en mobieltjes. Ze hebben het druk met school, met elkaar, met de sportclub.
Er is niet per se een cultuur van engagement: niet met de wereld, laat staan
met de wereld van kunst en cultuur. Ik lees in een CKV-verslag: ‘Wat er in de
wereld gebeurt boeit me niet, want ik kan er toch niets aan doen.’ En zo is het
natuurlijk ook: we hebben het gevoel dat we weinig kunnen doen tegen ellende
ver weg. En we raken afgestompt als we niet uitkijken. De Volkskrant
publiceerde een artikel
over toegenomen stressfactoren, mede veroorzaakt door de digitale informatie-overload.
En mijn leerlingen zeggen: “We hebben geen krant. Mijn ouders kijken op nu.nl.
En ik op facebook.”
Een docent zoekt naar de brug tussen de soms kleine wereld
van z’n leerlingen en de grote, complexe, brandende wereld om hen heen. De stap
mag niet te groot zijn, maar het moet wél ergens over gaan. Kunst, hoog- en
laagdrempelige, helpt om die brug te slaan: niet door feiten te presenteren,
maar door vragen te stellen. Door te verbeelden – eventueel op het
ongemakkelijke af.
Mijn CKV leerlingen moesten naar de World Press Photo-presentatie
in de synagoge. In een CKV-verslag lees ik: ‘Ik was nog nooit naar een
tentoonstelling geweest. Maar ik moet zeggen: het viel me erg mee. Ik vond het
best leuk. En de meeste foto’s waren mooi, en knap gemaakt, ook al vond ik
sommigen wel heftig. Of niet zo boeiend. En de kerk was ook heel bijzonder.
Daar was ik nog nooit geweest en mijn vader ook niet.’
De derde klassen hebben van mij de opdracht gekregen om een
campagne te bedenken voor een thema dat hen na aan het hart ligt. En waarmee ze
de wereld een klein beetje beter zouden kunnen maken. Dichtbij en
kleinschalig of ambitieus en verder weg,
het mag allemaal. Een schrikbarend aantal leerlingen weet niks te bedenken: “Ik
vind alles wel goed zo.” Ik moet soms diep graven om samen met hen te
onderzoeken waar de knop zit: “Wat doe je in het weekend? En wat kan er anders
in de voetbalkantine?” We kijken naar een fancy 3D-animatie van Studio Smack
over de eventuele mogelijkheid om Coca Cola-reclame tot in je droom te laten
doordringen, met behulp van neurotechnologie. Ik hou ze voor: ‘jongens, dit is
kunst hoor!’ Ze zijn verbaasd. De discussie gaan verder: “Is dit feit of
fictie? Is reclame goed of slecht? En propaganda dan?” We hebben het ergens
over.
Enkele lessen later. Een jongen uit 3 havo die grote moeite
heeft met tekenen verzucht: “Kijk mevrouw, dit is nou een opdracht waar ik óók
iets mee kan. Ik vind het gewoon leuk.” En hij kijkt me stralend aan, want hij
heeft een mindmap gemaakt én een paar schetsen voor een logo. Hij heeft een
thema te pakken waar hij wel over wil nadenken. “Ze denken altijd dat ik Turks
ben, maar dat ben ik niet, ik ben Indo. Ik vind: het maakt niet uit wat je
bent. Als je maar respect hebt voor elkaar.” Hij heeft al een paar ideeën voor
zijn campagne. “Een beetje gejat van Amnesty, van die posters enzo. Dat mag
toch wel?” Tuurlijk mag dat. Niet iedereen is al zo ver, maar dit stemt hoopvol.
Ik dring mijn leerlingen kunst op: soms ongemerkt, soms ‘in
their face’. Degelijke kunst laat ons anders naar de wereld kijken, laat ons
dingen beleven waar je stil van wordt. Ervaringen die je aan het denken zetten.
Of het laat je dingen benoemen die je niet eerder onder woorden kon
brengen. In een goede film, een goede foto, een interessante animatie vallen
vorm en inhoud samen en daar kan je het over hebben. Kunst laat je je positie in
de wereld bepalen, waartoe je je moet verhouden.
Kunst is relevanter dan ooit – als je de thema’s en voorbeelden durft te kiezen
die relevant zijn. Of kunnen worden, door ze (laagdrempelig, toegesneden op deze
klas, op deze leerlingen) te bekijken en te bespreken. Zo kunnen we het hebben
over de wereld waar onze leerlingen in opgroeien – en waar ze voorlopig in
verder moeten. En dat is wat we moeten doen, hoe taai en lastig dat soms ook
is.
Ik maak me een beetje zorgen. De landelijke trend dat er
steeds minder
leerlingen het profiel Cultuur en Maatschappij kiezen, is ook zichtbaar op
mijn school. En het aantal leerlingen dat kunst als examenvak kiest neemt af. Niet
alleen het utiliteitsdenken ligt hieraan ten grondslag (‘ik kies vakken waar ik
onbetwistbaar iets aan heb, die aantoonbaar nuttig zijn), maar juist ook het uitstellen
van een keuze. ‘Als ik NG kies met wiskunde A kan ik alle studies nog doen –
want eigenlijk heb ik nog geen idee wat ik wil’. En er is steeds méér te
kiezen: op mijn school, op veel andere scholen. Meer vakken (want een breed
aanbod is belangrijk) die meer direct maatschappelijk nut lijken te hebben.
Ondertussen schreeuwen de wetenschappelijke wereld en het
bedrijfsleven om mensen die buiten de paadjes durven te lopen. Mensen die juist
van de procedures en formules af kunnen wijken, nieuwsgierig zijn en
onderzoekend. Die niet voor de hand liggende oplossingen zélf bedenken. Die
werelden en ideeën verenigen die onverenigbaar leken. Mensen die
experimenteren. Omdat ze hebben geleerd creatief te zijn. (Dat kan je namelijk
leren. Iedereen kan dat.) Economen die vanuit concepten denken in plaats vanuit
verdienmodellen. Natuurkundigen die gitaar spelen. Juist nu, in onze
spreekwoordelijke ‘snel veranderende wereld’ zijn creatief, probleemoplossend
denken, conceptueel denken meer nodig dan ooit. De zogenaamde en al even
spreekwoordelijke 21st
century skills.
Op de lange termijn is juist creativiteit ontzettend nuttig.
In allerhande rapporten en analyses wordt gewag gemaakt van het belang van creativiteit. In het meest
recente rapport over onderwijs worden creativiteit en nieuwsgierigheid eerder
genoemd dan lees- en rekenvaardigheid (eindrapport Ons Onderwijs 2032, p. 21).
En nu komt het: er is geen vak op school binnen het huidige
onderwijsbestel waar je deze vermogens zó kan ontwikkelen en toepassen dan
binnen het vak kunst. En daar gaat het niet zo goed. Omdat kunst niet zo lekker
ligt. Omdat er zoveel is weggesneden. Omdat het in een kwaad daglicht staat.
Omdat het niet direct nuttig is lijkt.
Daarbij: het probleem van de kunstvakken op veel scholen
is het imago van ouderwets handwerk, waar je nu eenmaal wél of niet goed in
bent; ook op mijn eigen school. In de onderbouwlessen, in de verwachtingen van
leerlingen, in de hoofden van hun ouders – en van collega’s. Er is nog teveel ‘schoolkunst’
(een door de docent bedacht thema dat hopelijk aansluit bij leerlingen) en te weinig eigen thema's. Teveel waterverf en te weinig animatie of 3D-printen. Teveel vaardigheid, te weinig concept. Bovendien laten we te weinig op school zien waar het écht om gaat bij die kunstvakken. Wat leerlingen uit VWO 6
overigens exact en tot ontroerends toe onder woorden kunnen brengen. ‘Je
ontwikkelt probleemoplossend vermogen, je kan dicht bij jezelf blijven, je
leert kritisch zijn, beslissingen te nemen, anders aan te kijken tegen de
dingen, het leven, de wereld. Je leert vanuit een concept denken en je eigen
onderzoeksproject op te zetten. Zonder dat de docent een stappenplan geeft.’
Maar ja, op welk kanaal laat je die uiterst persoonlijke YouTubefilmpjes van je
leerlingen zien? Een mooie, knappe tekening hang je nu eenmaal makkelijker op.
Het zijn hardnekkige valkuilen.
Op mijn school zijn we hard bezig om het anders te doen. We
slaan een brug tussen kunst en technologie. We bedenken uitdagende thema’s die
leerlingen anno 2017 raken: die gaan over hun cultuur nu en de wereld van
morgen. We starten niet met een schilderij van Rembrandt of Picasso (who cares) maar met een installatie die
gender en identiteit thematiseert (zie de ‘Gender
Swap Machine’), die veel stof tot discussie
en reflectie oplevert. Dus: ‘ontwerp een Alter Ego waarmee je jouw perspectief
op de wereld verandert’ in plaats van ‘maak een zelfportret’. ‘Bedenk een
campagne waarmee je de wereld een beetje verbetert’ in plaats van ‘maak een
logo voor je eigen bedrijf’. ‘Ontwerp het virtuele landschap van je eigen game’
in plaats van ‘teken het uitzicht uit je raam’. Het zijn soms relatief kleine
ingrepen die een schoolopdracht radicaal anders kunnen laden.
Dat proces gaat hartstikke goed. We hebben een sterke sectie,
mooie ideeën, ondersteuning vanuit de directie, sympathie bij de collega’s. We
hebben (het begin van) een hippe website
en allerlei nieuwe technologie in huis. We hebben wilde plannen voor het
profiel Media Art en Design in de bovenbouw. Maar het kost tijd. Beeldvorming
is hardnekkig en een cultuuromslag duurt lang. En toch moet het nu, want creatieve
geesten zijn harder nodig dan we kunnen bedenken.
(Voor het complete beeld ook nog even deze beluisteren natuurlijk. En daar is niets elitairs aan.)
Soms komt alles samen. En dan geloof je haast niet dat het zo is.
Deze week was zo’n week. In één week - wat zeg ik: drie achtereenvolgende dagen – vonden
er drie gebeurtenissen achter elkaar plaats die erop wijzen dat we opeens, op
zeer korte termijn serieus maker-onderwijs (maakonderwijs, tinkering, maker
education – geef het een naam) op mijn school zullen hebben. In die éne week
(nee drie dagen) was er als eerste de aftrap van het KO-LAB*: 43 enthousiaste
leerlingen uit allerlei klassen die op hun vrije middag een beginnetje hebben gemaakt met vloggen, bibberbijrobotjes
maken, vette beats sampelen en ten slotte - met het hebberige zicht op een
Echte Drie Dee Printer - voor het eerst met de bijbehorende software aan het
klooien waren! En dat KO-LAB is nog maar het begin. Het gaat namelijk MAD
worden!! (Maar daarover later, in een ander blogje, meer… want dat staat
natuurlijk ergens voor. Voor Media Art & Design. En daarmee gaan we ons
profileren op school.)
En dan gisteren een heule grote studiedag van mijn heule
grote werkgever. Waar zo’n 1100 collega’s van 33 scholen ‘oet
Stad’ bij elkaar dromden. Interessante observatie: de meeste docenten kwamen
natuurlijk om 9.55 aan – het programma begon om 10.00 uur, de inloop was vanaf 9.00
uur. Er zit heel veel leerling in ons docenten, blijkt op zo’n soort van
onvrijwillig vrije dag die dan toch heus wel leuk is omdat er aan het eind
gratis bier is en je allerlei oud-collega’s spreekt die – net als jij – wat ouder
zijn geworden, maar toch ook weer hetzelfde zijn gebleven. En in die
vrolijkheid mocht ik ook twee workshops geven over…ons KO-LAB. Met verhalen en
foto’s vers van de pers. Maar vooral ook: het wat en het waarom. Nog niet het
hoe, want dat weten we zelf ook nog niet. En daar ontmoet je dan gelijkgestemden die geïnspireerd raken door ons verhaal - wat op zich dan ook weer inspirerend is.
En in diezelfde week, correctie: paar dagen, het bericht dat
we van diezelfde heule grote werkgever een
E-learning lab voor bij ons op school mogen inrichten binnenkort. (Met alle denkbare slagen om de arm van dien.) Want er moet een leerlijn digitale
geletterdheid komen, met mediawijsheid en computational thinking en al. Of we
het boodschappenlijstje a.u.b volgende week maar willen inleveren. En of we dan
wel natuurlijk voor elke eventueel aan te schaffen 3D-printer, lasercutter, arduino,
I-pad, videocamera en softwarepakket een mooi lesprogramma willen schrijven.
Zodat de gedane investeringen ergens op slaan. Tuurlijk! Komt voor de bakker!
Laat dat maar aan ons over! Het lijstje is al klaar.
Goed.
Dat was dus afgelopen week – eh dagen. Daar gingen heel wat weken,
maanden, wat zeg ik jaren van noeste en vaak taaie arbeid aan vooraf. Van geschamper
en cynisme trotseren, van volhouden en tegen de klippen op vat proberen te
krijgen op iets dat langzaamaan gestalte krijg. Maar vooral: dat weerklank
vindt bij steeds meer collega’s, binnen en buiten de school. En dat voelt heel fijn: ‘you are not alone’.
We trekken voorlopig met een clubje van zo’n 10 docenten samen op. En wie wil
sluit aan. Mensen van diverse pluimage en vanuit heel verschillende vakken: de breed
geïnteresseerde natuurkunde docent en de beginnende docent Engels die opeens
een geschoold website-designer blijkt. De kunstdocent met zijn media-achtergrond
en de enige informaticadocent uit de wijde omtrek. De muziekdocent en de
techniekdocent, die meer gemeenschappelijk hebben dan ze van elkaar wisten.
En dan nu lijkt het verdorie wel of we daadwerkelijk kunnen
gaan oogsten. Of misschien is het dat nog niet eens. Maar het voelt wel alsof
er iets groots gaat gebeuren en dat dat NU is.
We hebben nog geen idee langs welke route we gaan en waar we
precies uitkomen. Laat staan hoe onze torenhoge ambities gefinancierd en
georganiseerd moeten worden. Maar we zijn begonnen met maken. En als je iets
maakt, dan kom je vanzelf ergens waar het mooi is.
September is een maand die eigenlijk niet bestaat in het
onderwijs. (Of juist heel erg.) Voor je ‘t weet is hij voorbij. Zo gaat het
althans vaak bij mij – en als ik niet uitkijk is oktober ook alweer om. En de
bespiegeling over dit fenomeen zat ook al weken in de pen. Maar er was teveel.
Dus ik som op:
Eerst was er het weerzien met collega’s. De vakantieverhalen,
de gebruinde koppen, de verholen tegenzin. En er was het weerzien met de
leerlingen. De vakantieverhalen, de gebruinde koppen, de onverholen tegenzin.
Vervolgens waren er de gebruikelijke introductiedagen.
Toen was er een tweedaagse bijscholing.
En daarna de excursie naar Parijs.
Met mijn eigen klasje Atheneum 5. Vijf dagen die voelen als vijf weken. Een
excursie die ging zoals excursies plegen te gaan. Eén grote groep, veel subgroepjes;
leerlingen die zich voegen, leerlingen die ageren. Lawaai op de gang – dat
niemand maakt. Zieken, zwakken en misselijken en een enkele kotser (‘ik denk iets
verkeerds gegeten, mevrouw…’). Het avondprogramma (waar wij niets voor hebben
hoeven organiseren) was voor mijn leerlingen minstens zo interessant als het
uiterst intensieve dagprogramma, samengesteld door doorgewinterde collega’s die
nog steeds met hart en ziel met een bak pubers door Parijs schuiven. Al met al:
het was prachtig en heet. Met dank aan onze fantastische en zeer ervaren chauffeur
die met zijn megabus door het smalste poortje van het Louvre manoeuvreerde, de
Étoile rond de Arc de Triomphe moeiteloos domineerde en de beste picknickplekjes
wist voor een lunch van 60 pubers bestaande uit zakken stokbrood, stapels brie,
salami, komkommers en een heeeele grote pot Nutella.
Daarna probeerde ik dummies te bestellen (waarom hebben we
dat niet eerder gedaan!?), het nieuwe sectieplan vorm te geven, een heel nieuw vak uit te werken, lessen op te
starten, het maak-lab in oprichting van de grond te krijgen (werktitel: KO-LAB),
te netwerken voor deze maakplek met Jan en alleman, 234 namen bij pasfoto’s te onthouden,
gastlessen af te stemmen met gastdocenten, cultuurgeldmysteries op te lossen, mee
te denken met een project met het Groninger Museum. De eerste
intervisiebijeenkomst is alweer geweest en ik moet nog een bijdrage leveren aan
een studiedag over CKV. *
Ondertussen bleef het maar zomer. Niet erg bevorderlijk voor
het gevoel dat het schooljaar toch echt allang weer begonnen is. En voor
stukjes te schrijven over allerlei observaties en overpeinzingen die heus
schrijvenswaardig wáren, ontbrak eenvoudigweg de tijd.
Volgende week hebben we herfstvakantie. Om uit te rusten van
het begin. En daarná begint het jaar pas echt. Laat dat jaar maar komen!
* In de weekend waren en ook nog allerlei dingen. Feestjes
van dochters, familiereünies (ja, twee stuks en ja twee keer een heel weekend:
de één in een 4-sterrenhotel in Kortrijk, de ander in een kampeerboerderij in
Almere. Verschil moet er zijn). En, oja, het Noro-virus en een gekneusde
meniscus. Al helemaal niet bevorderlijk voor het gevoel van controle,
beheersing en rust. Maar wel leuk – althans het meeste.