Alles lijkt te worden uitvergroot dezer dagen, weken,
inmiddels maanden. De Corona-crisis voel ik als docent in de kunstvakken vooral
in het onderwijs, en in de culturele wereld. Waar in het ene domein gebeurt wat
we niet voor mogelijk hadden gehouden (een digitale slag vanuit huis-, slaap-
en werkkamers), houd ik mijn hart vast voor de kaalslag die achter de gesloten
theaterdeuren, concertgebouwen, museumzalen en atelierramen plaatsvindt. Toch
zie ik vooral het hoopvolle, de initiatieven, de veerkracht en de verbondenheid
– de kunsten eigen. Dat zal ook te maken hebben met mijn onstuitbare wil tot
optimisme – soms tegen beter weten in.
Met de ongekend indrukwekkende 4 mei-toespraken van Arnon Grunberg en nota bene onze koning
nog in mijn hoofd, klinkt de vraag naar de betekenis van vrijheid, en mijn
eigen rol in het geheel luider dan anders: “Is het genoeg, wat ik doe, wat ik
beteken voor anderen? Wat draag ik uit in mijn eigen kring, mijn gezin, in mijn
vriendenkring en werk, de wijde wereld? Maak ik de juiste keuzes? Mag ik straks heel
hard om 16.55 ‘Zing, vecht, huil, bid’ met twee vriendinnen op straat zingen om
de vrijheid te vieren? Of is dat sentimentele window-dressing en vooral voor
mijn eigen lol?”
Natuurlijk zijn dit soort vragen mij niet vreemd: ze vormen
de bron van mijn kunstdocentschap – maar ze doen zich nog meer gelden dan in
het pre-Corona-tijdperk. Hoe laat ik mijn leerlingen nadenken over hun eigen
vrijheid, hun handelen? Voelen ze verbondenheid met de wereld,
verantwoordelijkheid? Hebben ze het gevoel dat het er toe doet wat ze doen –
hoeveel social distancing houden ze nog vol, doen ze boodschappen voor een
buurvrouw, sturen ze een kaartje aan opa en oma, vluchten ze in gamen en
Netflixen, omdat ze het ook allemaal niet weten? Tot waar denken ze dat hun
invloed reikt? In welke wereld zouden ze, na (of beter misschien: met) Corona,
willen leven? Welke keuzes maken ze – en waarom?
Ook hier lijken de verschillen tussen mijn leerlingen groter
dan in het gewone leven: sommigen vervallen in totale lethargie, of klampen
zich juist vast aan de online-lessen, anderen benutten hun tijd in relatieve
vrijheid optimaal: sporten, tekenen en werken harder dan ooit aan hun
opdrachten voor school – die soms ook groter lijken dan normaal.
Ik zet me, na het vieren van de vrijheid vandaag, dus weer
schrap, verschans me achter mijn computerscherm en open Microsoft Teams. Ik
verzin een opdracht voor mijn online-klasje kunst beeldend, de vierde op rij in
de serie ‘Close Distance-
social distancing in tijden van Corona’. Ze brachten al in beeld wat ze het
meeste missen, ze hebben een kunstwerk Corona-proof gemaakt en een project
verzonnen om kwetsbare mensen zich minder eenzaam te laten voelen. Deze week
wil ik graag dat ze de Dodenherdenkingstoespraak van de koning op de lege Dam
terugkijken. Wat betekent voor hen: ‘(...) niet wegkijken. Niet goedpraten. Niet
uitwissen. Niet apart zetten. Niet normaal maken wat niet normaal is.’
Ik weet nog niet precies hoe de opdracht er uit gaat zien,
maar ik hoop dat ik iets van de verbondenheid en ontroering die ik vandaag voel
aan mijn leerlingen kan overdragen.
Zaterdag 19 mei had ik de eervolle klus om het boek 'Voorbij de kunst', te presenteren, geschreven door de dame en heer van One day Artist (Yotka Kroeze en Jobbe Holtes). Ze schreven er al eerder over. Hieronder de tekst van mijn praatje. En ik zeg nu alvast: koop dat boek!! (Hier bijvoorbeeld: https://palmslag.nl/boeken/voorbij-de-kunst)
"Deze middag is een vrolijke en feestelijke gelegenheid,
helemaal passend in de sfeer van One Day Artist. Voor Yotka en Jobbe de eerste
keer dat ze een boek hebben geschreven, voor mij de eerste keer dat ik iets mag
zeggen bij een boekpresentatie, maar, zoals de grote vrolijke filosoof Pippi
Langkous al zei: ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het kan.
(Even voorstellen? Ik ben Esther Schaareman, al best lang (zo’n
20 jaar) docent in de kunstvakken, theoretisch- en mediapedagoog,
onderwijsontwikkelaar op mijn eigen school het Kamerlingh Onnes en binnen
Openbaar Onderwijs Groningen, en ik schrijf voor het vakdidactisch tijdschrift
Kunstzone.)
Ik wil bij deze vrolijke gelegenheid een aantal dingen
zeggen: waarom ik fan ben van dit boek ‘Voorbij de kunst’, én van One Day
Artist, wat volgens mij het belang is van dit boek voor het werkveld en
tenslotte: iets over het belang van kijkonderwijs in het kunstonderwijs. En ik
begin bij dat laatste – het hart van het boek. Dat we leven in een beeldcultuur is een nauwelijks te
overtreffen cliché en dat juist jongeren dagelijks (liever: dag en nacht) zijn
ondergedompeld in een poel van visuele prikkels behoeft ook geen betoog. Loop
in een pauze door een school en met gebogen nekjes hangen de kids boven de
schermpjes. Met kijken heeft dat weinig te maken: het zijn impulsen, een quick
scan van de sociale bubbel waarin jongeren zitten. Een veelgehoorde klacht in
het onderwijs is dat het moeilijk is om leerlingen langdurig aandacht voor iets
op te laten brengen: voor langer kijken, voor dieper denken. Dat geldt eens te
meer voor kijken naar kunst, waar onbekendheid (‘ik snap dit niet’),
vooroordelen (‘kunst is saai’) en de vaak simplistische indeling in mooi of
lelijk die aandacht voor het kijken naar kunst in de weg zitten.
Dat is ontzettend jammer. Het boek dat ik hier nu in mijn
handen heb, brengt niet alleen in kaart waarom dat jammer is, maar biedt
suggesties om die aandacht wél te krijgen. Ik licht er, vanuit mijn eigen
ervaring als kunstjuf, voor dit feestelijke moment twee dingen uit die mij na
aan het hart liggen.
Ten eerste: kunst is van nature ambigue. In het voorwoord
stellen Yotka en Jobbe dat kunst opzettelijk dubbelzinnig is. Een kunstwerk
moet actief verkend en veroverd worden. Dat is een ontzettend waardevolle
exercitie voor jongeren die midden in een proces van persoonsvorming en zitten.
Enerzijds biedt een kunstwerk een houvast: er is iets om naar te kijken, te
beleven, te ervaren, dat een stukje van de wereld vertegenwoordigt. Er is een
uitgangspunt waarop je kan reageren. Anderzijds biedt een kunstwerk vrijheid,
ruimte voor eigen interpretatie en die van anderen. Er is geen goed of fout,
het is geen wiskundesom, maar je mag er zelf iets van vinden. En door dat kunstwerk
te verkennen, leer je jezelf kennen: in voortdurende dialoog met de wereld om
je heen ontwikkel je immers je identiteit.
Het tweede punt gaat over de koppeling tussen maken en kijken
en het belang van goed kijken voor een creatief proces. Goed kunnen kijken
helpt een leerling die ondergedompeld is in een maakproces, in de flow zit, om
intuïtief interessante beslissingen te nemen. Goed kijken betekent dat je weet waarnaar je kan kijken,
betekent taal hebben om je kijkervaring te verwoorden, en betekent lef hebben
om zowel analytisch als associatief op een kunstwerk te reageren. Goed kijken
kan je trainen en kijken naar kunst is een supertraining, juist vanwege die
eerder genoemde ambiguïteit. Hoe bewuster je bent van wat je ziet, hoe rijker
het maakproces en dus hoe interessanter het product kan worden. En dit zijn nog maar twee dingen over het belang van
kijkonderwijs voor het kunstonderwijs die ik vanuit mijn perspectief als
kunstjuf aanhaal.
Kom ik nu bij het belang van ‘Voorbij de kunst’ voor het
werkveld. Ik heb dit prachtige boek sinds dinsdag in bezit en ik heb nog niet
de gelegenheid gehad om het helemaal door te nemen: ik moest dummies nakijken,
surveilleren bij een examen, een vergadering voorbereiden en, oja, lesgeven. Het
is symptomatisch voor het onderwijs: wat voor leerlingen geldt, geldt soms even
hard voor docenten: de waan van de dag slorpt zoveel van onze tijd, dat we
nauwelijks de rust nemen om stil te staan bij wat we eigenlijk willen met ons
kunstonderwijs. ‘Teachen’ we eigenlijk wel wat we ‘preachen’? Iedereen die wel
eens een kunstles heeft gegeven, herkent de neiging om, met de hijgende adem
van tijdnood in je nek, te verwoorden wat je wilt dat je leerlingen zien: ‘Kijk,
hier zie je een eend met een pistool.’
Terwijl je leerlingen misschien vooral
blote tieten zien of een kraan. Dat is geen kijkonderwijs, dat is
vertelonderwijs. Dit boek helpt docenten niet alleen zich bewust te worden van
oude patronen, maar biedt ook praktische handreikingen waarmee je meer ruimte
laat voor het kijken van de leerlingen, en die je bij wijze van spreken de
eerstvolgende les al kan toepassen. Bovendien geeft ‘Voorbij de kunst’ een
heldere samenvatting van de belangrijkste recente theorieën en onderzoeken over
kijkonderwijs – want voor het lezen van wetenschappelijke artikelen en achtergrondliteratuur
hebben we in het onderwijs al helemaal geen tijd. Wat het boek overtuigend maakt, is dat het gebaseerd is op jarenlange
ervaringen in het geven van cursussen ‘anders kijken naar kunst’: het is geschreven
vanuit de klei van de onderwijspraktijk. Ik persoonlijk verheug me op onze
opfriscursus van Yotka en Jobbe met mijn hele sectiewaarbij we bovendien op slinkse wijze ons
scholingsbudget opmaken.
Ik besluit met een bescheiden laudatio: om uit te leggen
waarom ik al jaren fan ben van One Day Artist, moet ik terug naar afgelopen dinsdag
op mijn school, het Kamerlingh Onnes, waar de tweede klassen een maakdag
hadden. Yotka en Jobbe hadden een bak kunstenaars georganiseerd en een enorme
hoop spullen meegebracht. Die kunstenaars van zeer diverse pluimage zijn met
een aanvankelijk matte en onwillige groep pubers de hele dag in de slag geweest
om op 12 plekken in de schoollocatiekunstwerken
te maken. Uiteindelijk waren er kinderen bij die nul pauzes hebben genomen (ja,
vooral die met de haakse slijper en de hamers). Het was een fantastische dag!
Met een enorme hoeveelheid energie, enthousiasme, ervaring, kunde én oog voor
kwaliteit trekt de One Day Artist-caravaan de noordelijke scholen en
instellingen rond. Duizenden jongeren en hun docenten hebben dankzij de
workshops, projecten en bijscholingen van One Day Artist hun blik verruimd,
zijn anders gaan kijken naar kunst, naar zichzelf en naar de wereld en ze hebben
mooie kijk- en maakervaringen opgedaan. Met diezelfde energie, ervaring en
know-how hebben Yotka en Jobbe nu een boek geschreven, prachtig vormgegeven én
gepubliceerd. Hoe ze dat hebben gedaan is me een raadsel, maar het is er: een
boek dat goed is om te lezen, en ook nog eens geweldig om naar te kijken.
Ik kijk ernaar uit om het helemaal te lezen – we hebben
gelukkig een dagje extra. Ik wil jullie van harte feliciteren met dit prachtige
boek en ik ben ervan overtuigd dat er nog veel meer blikken mee worden verruimd."
Als ‘kunstjuf’ geef ik al bijna 20 jaar les op het
Kamerlingh Onnes, maar het gekke is dat het voelt alsof we anderhalf jaar
geleden haast opnieuw begonnen zijn. Door dingen te gaan doen die al jaren aan
het broeden waren, bij mij en mijn kunstcollega’s én bij mijn collega’s
informatica. De komst van ons e-l@b is absoluut een katalysator geweest in dat
proces: zo is de samenwerking tussen kunst en digitale technologie begonnen en
was het nieuwe vak MAD, media, art & design geboren. Sinds september geven
we het ook echt aan een clubje enthousiaste leerlingen in Atheneum 4, die zowel
kunst als informatica hebben gekozen. Dit jaar een mooi klasje vol, voor
volgend jaar valt te aanmelding wat tegen – dat is slikken. Nu het vakantie is
blik ik terug en vooruit en constateer: alle goede dingen komen langzaam.
Leren voor nu en
later: creativiteit in een wereld vol digitale technologie
Kijk om je heen en je ziet dat er allerlei interessante ontwikkelingen zijn op
het snijvlak van kunst, design, wetenschap en digitale technologie. Je eigen
huisraad ontwerpen en customizen met de 3D-printer, de lichtgevende afsluitdijk
van Daan Roosegaarde, zijn Waterlicht afgelopen weekend nog in Leeuwarden,
artificial intelligence in de medische wetenschap, zichzelf voortplantende
robots: zeleken een aantal jaar geleden
nog futuristisch, maar ze zijn binnen handbereik of zelfs al realiteit. Wij,
niet alleen mijn informatica-collega en ik, maar ook mijn kunstbroeders en
-zusters, vonden het hoog tijd om ons curriculum te actualiseren: op welke
wereld bereiden we onze leerlingen voor? Hoe zien leren en werken eruit als zij
volwassen zijn? Hoe verhouden ze zich tot de wereld van morgen? Welke rol
speelt technologie daarin? Hoe laten we ze hun creativiteit optimaal
ontwikkelen? We moeten onze leerlingen niet alleen bijbrengen hoe apps en
andere high-end toepassingen werken, als consument, maar ze ook leren wat de principes
zijn van die technologie en hoe ze techniek naar hun eigen hand kunnen zetten,
als producent – in de overtuiging dat ze
daardoor mondige, kritische én creatieve burgers worden die hun leven zelf
kunnen regisseren.
MAD: Media Art &
Design
Binnen MAD werken we vanuit breed opgezette thema’s, die niet alleen
raakvlakken hebben met de domeinen kunst, vormgeving, technologie en
wetenschap, maar ook met actuele maatschappelijke thema’s én, als het ff kan,
ook met de wereld die jongeren kennen. Zo luidde de opdracht van ons eerste
blok MAD: ‘ontwerp een interactief lichtobject dat positief op z’n omgeving
reageert’. Onze leerlingen hebben het werk van designer Daan Roosegaarde
bestudeerd (https://www.studioroosegaarde.net
), we zijn op atelierbezoek geweest bij kunstenaarscollectief ‘WERC collective’
(deels onze oud-leerlingen: http://www.werccollective.com
) en we hebben de PIXI-wandeling ervaren die door WERC in opdracht van het
Staatsbosbeheer ontworpen is (https://www.staatsbosbeheer.nl/pixi
). De MAD-leerlingen hebben geëxperimenteerd met gekleurd licht, digitale
fotografie, stroomkringen, led-lampjes, arduino’s, sensoren. Ze hebben de
fysieke werking van licht bestudeerd, de toepassing van led-verlichting verkend,
ze hebben zich bezig gehouden met het vraagstuk van de lichtvervuiling.
Ondertussen hielden ze steeds in hun dummy bij welke stappen ze hebben gezet,
wat ze ervan geleerd hadden en hoe ze verder zouden gaan: een verzamelboek waarin
afbeeldingen, bronnen, eigen teksten en schetsen terechtkomen. We hebben
gezamenlijke brainstormsessies gehad, een pitch haverwege het proces en een
eindpresentatie. Leerlingen werkten soms samen, soms alleen. Ze leerden dus
ontzettend veel van elkaar. Tijdens de eindpresentatie had een leerling het
‘slow down stoplicht’-bedacht: een polsbandje met een zendertje waarmee je als
gehandicapte of bejaarde voetganger het stoplicht langer op groen kan laten
staan, waardoor je veilig kan oversteken. Een andere leerling heeft een
3-hoekige dobbelsteen ontworpen die licht geeft op de hoekpunten i.p.v. dat hij
een kleur of getallen laat zien. Weer een ander concept was een lichtorgel op
een meer dat reageert op de handbewegingen van de bezoeker; er was een zichzelf
uitleggende robot. Kortom: we waren ontzettend verrast door de originaliteit en
de eigenheid van de ideeën van onze leerlingen.
Maakonderwijs &
design thinking
Het onderwijsconcept dat we aan het ontwikkelen zijn binnen MAD, is gebaseerd
op de principes van maakonderwijs, design thinking en het idee van ‘communities
of practice’. Door eerst te doen en ontdekkend te leren, snap je hoe iets in
elkaar zit. Als je leerlingen dan de vraag stelt: ‘wat kan je er nu zelf mee?’,
zeker in de context van een brede, open opdracht, ontstaan er eigenlijk bijna
vanzelf verwonderingen creativiteit.
Door ze steeds te laten reflecteren op wat ze geleerd hebben, komen ze er
spelenderwijs achter hoe hun ontwerp verbeterd kan worden. Onze rol als docent
is in dit proces veel minder sturend en veel meer coachend: je hoeft zelf niet
alles te weten om iets aan te kunnen reiken. Door een bepaald technisch of
conceptueel vraagstuk gezamenlijk aan te gaan, leer je samen. Dat stimuleert
enorm, en geeft veel energie, zowel bij leerlingen als bij ons docenten. Het is
ook heel verrijkend om met een collega samen te werken die in een heel ander gebied
is opgeleid, maar met wie je toch in no time een gemeenschappelijke taal en
aanpak ontwikkelt: je vult elkaar aan, bevraagt elkaar en zo blijf je als docent
ook steeds leren. Omdat het doel wat je hebt hetzelfde is: leerlingen uitdagen,
ze verwonderen, hun eigen leertraject te laten ontdekken en zich zo boven
zichzelf uit laten stijgen.
Klooiavonden - en nu
verder
Dat klinkt mooi, maar staat ver af van de dagelijkse onderwijspraktijk binnen
de meeste vakken. En: hoe krijg je een hele school in beweging? Om die beweging
te stimuleren hebben we de Klooiavonden bedacht: samen met collega’s zelf aan
de gang gaan met de mogelijkheden van het e-l@b. Laagdrempelig ontdekken hoe
dat nou werkt, net als onze leerlingen: wat kan je met de 3D-scanner, hoe maak
je iets dan niet uit elkaar valt voor de 3D-printer, hoe werkt nou zo’n green
screen en wat zou je er mee kunnen in je eigen lessen – en welke toegevoegde
waarde heeft dat dan. Na onze eerste Klooiavond op 15 november ging de collega
Frans meteen met haar Havo 4 klas aan de slag met de stop-motion animatie in
het e-l@b: eindelijk een alternatief voor de uitgekauwde posteropdracht. Er
zijn er inmiddels vier geweest dit jaar, niet alleen op mijn eigen school, maar
ook op de andere O2G2-scholen met een e-l@b. Wat opvalt elke keer is dat er
zoveel energie loskomt, zelfs na vijven, als docenten zelf ook mogen spelen,
klooien, ontdekken en freewheelen.
Net begonnen – wat als
het allemaal lukt?
Goed beschouwd zijn we nog maar net begonnen, en we zien dat de samenwerking
met andere vakken langzaam maar zeker begint te lopen. Er zijn stappen gezet:
in het project ‘What If’ werken informatica en geschiedenis samen in het e-l@b,
kunst en mens & techniek gaan aan de slag met tekenrobotjes, er zijn
plannen voor een project biologie en kunst volgend jaar. Nog niet een kwart van wat ik gehoopt had of zou willen, maar: ze zijn er.
De kunst is nu om die plannen gewoon maar te gaan uitvoeren,
zonder eerst een eindeloze voorwaarden-discussie te voeren – dan komt er nooit
iets van de grond, want die voorwaarden blijven (in het gunstigste geval)
sub-optimaal. Eerst doen, onderzoeken, proberen, ervaren en gaandeweg leren wat
goed gaat en wat beter kan – en dat alles delen met collega’s. Het gesprek bij
de koffieautomaat en de openstaande deur van het e-l@b zijn veel belangrijker
dan beleidstukken en studiedagen. Wij hebben niet de wijsheid in pacht, maar
ontdekken door te doen, fouten te maken en door te gaan – het enige verschil is
dat we met MAD al begonnen zijn.
Mijn ideaalbeeld is dat van de hele school als
leerwerkplaats, één grote ‘community of practice’ met het e-l@b als motor. Na
de meivakantie gaan de MAD-leerlingen aan de slag met een praktische
design-opdracht voor de Nockstone van Melle Koot (waar we laatst op bezoek waren), klooien voor leerlingen in het KO-LAB draait dit jaar nog een keer en we hopen nog één Klooiavond in te
plannen dit jaar – eens kijken wie er nog meer meebeweegt!
Januari is niet mijn maand en dat is zachtjes uitgedrukt. Hij is voorbij en langzaam komen mijn energie en lichtheid terug op hun oude niveau. De zon scheen vandaag
zowaar (hoewel het ook nog sneeuwde) en de dagen lengen. Het is
intrigerend hoe die januari-blues werkt – en hoe ik er elk jaar weer instink. Een reconstructie.
In september ligt de wereld aan mijn voeten: alles kan, er
zijn fantastische plannen, wat we hebben bedacht gaan we ook echt doen. Ik heb
alleen maar leuke klassen, de relaties zijn nog onbezoedeld en vrij van
conflicten. Leerlingen zijn enthousiast, er is belangstelling van buitenaf voor
wat we doen op school, alles ligt nog open en de ambities zijn huizenhoog. Ik
doe de dingen op vleugels, meld me aan voor een onderzoekstraject, en krijg
steeds meer energie van alles wat op mijn pad komt. We hebben de opening van
ons e-l@b, de eerste Klooiavond, ik schrijf stukjes die goed zijn gevallen, er
komt een filmploeg, er zijn talloze excursies in de eerste maanden. Kortom:
alles bruist en borrelt.
Het wordt november: de eerste haarscheurtjes
manifesteren zich. Resultaten van toetsen en werkstukken vallen tegen, werk in
de sectie blijft liggen, er valt geen land te bezeilen met een rumoerige
brugklas, voor het schrijven van een onderzoeksvoorstel is veel te weinig tijd,
de ICT-ondersteuning blijkt uitpandig te zijn gereorganiseerd, de sfeer in een
2 Havo-klas is niet bepaald stimulerend voor de creatieve vermogens van
leerlingen die kunst wél leuk vinden. De dagen worden donkerder en kouder en de
energie gaat op aan verkoudheden. Op haren en snaren haal ik de kerst: met elan, dat wel, en
plezier, ook dat. Maar ik zie vanuit mijn ooghoeken dat de haarscheurtjes
groter zijn geworden. Het zijn echt kieren geworden. Maar dat besef schuif ik
voor me uit: eerst vakantie.
Dan is het opeens januari. En alles waarvan ik
had weggekeken, grijnst me lelijk toe: de website met onze onderbouwopdrachten schiet
niet op, de kwaliteit van het werk van mijn examenklas valt tegen, ik maak me
zorgen over het aantal bovenbouwleerlingen volgend jaar. Hoe krijgen we taaie materie als digitale geletterdheid gethematiseerd terwijl teveel laptops het niet doen, hoeveel klassen zijn er nou eigenlijk
aan het werk in dat e-l@b, met welke collega’s zouden we ook weer een project
doen? En waar haal ik de tijd en energie vandaan?
Ja, het glas dat half leeg is én half vol. Ja, ik moet me al
die dingen niet persoonlijk aantrekken. Ja, ik moet mijn zorgen delen. Ja, ik
moet niet piekeren, maar tot handelen overgaan. Ik weet het allemaal en ik doe
het ook, maar mán wat kost me dat een energie. Dat is januari.
En dan is het februari – goddank.
Eindelijk weer een blog.
Een campagne ‘Kies Kunst’ en ‘kies MAD’ waarin leerlingen zelf vertellen waarom
het zo leuk is.
Een brainstormsessie over de volgende stap digitale geletterdheid.
Goeie gesprekken met mijn collega’s en mijn rector.
En relativering. En humor. Dat vooral.
Dus vooruit met de geit. Niet lullen maar poetsen. Op tijd
naar bed en een beetje doorbijten. Dan wordt het vanzelf weer licht. En
lichter. En dan zie ik weer wat we allemaal bereikt hebben in een jaar. En wat
voor prachtige dingen leerlingen (heus wel) hebben bedacht en met hoeveel
plezier ze eraan gewerkt hebben.
Vorige week kwam een oud-leerling op bezoek. Hij studeert
inmiddels filosofie en is bezig met de afronding van zijn master. ‘Ja, ik was
niet zo goed, en ik deed niet zo veel in de les, maar kunst was wel het vak waar ik
achteraf het meeste aan heb gehad. Want daar ging het ergens over.’
Kijk. Dat kan een mens dan wel even gebruiken: op naar het
majeur-akkoord!
Afgelopen vrijdag was opeens Johannes Visser, correspondent van De Correspondent, in mijn klaslokaal. Hij interviewde mij. Ik was vereerd en een beetje in de war - want heb ik zélf alles wel goed doordacht wat ik doe en probeer met die digitale dingen? Daarom schreef ik midden in de nacht nog een brief aan hem, bij wijze van uit de hand gelopen naschrift. (Ik had geen tijd voor een korte, dus het werd een lange...)
“Beste Johannes,
Je was bij ons op school vanmiddag, het Kamerlingh Onnes in Groningen.
En we hebben elkaar even gesproken, onder andere over het vak MAD: de combi van
Kunst & Informatica dat Media, Art & Design is geworden en waar we dit
jaar mee beginnen zijn in Atheneum 4.
Ik jokte een beetje. Toen ik zei dat ik ALLES van je lees.
De afgelopen twee weken heb ik namelijk verzuimd, omdat we het zo druk hadden
met digitale dingen. Iets met de opening van een e-l@b op een zusterschool en
een onderwijsdag die Openbaar Onderwijs Groningen organiseerde en waar ik dan
wat workshops gaf. Over maakonderwijs (ook zoiets).
Maar goed. Pas na je vertrek las ik waar je mee bezig bent
dezer dagen: onderwijs en technologie en meer specifiek programmeren in het
onderwijs. Waarom dat wel of niet zou moeten. Heel goed, relevant en belangrijk
om daar eens flink kritisch naar te kijken. Ons gesprek veroorzaakte een hele rivier
aan nagedachten bij mij, waarvan ik twee stroompjes opteken.
1. iets over
programmeren en algemene vorming
Het is jammer dat je mijn informatica-collega niet hebt
gesproken (de andere docent van ons
nieuwe vak Media, Art & Design, ES). Die heeft (als één der laatste
Mohikanen als het gaat om Informatica-docenten) veel meer zinnigs te zeggen
over programmeren op school. Als theoretisch pedagoog zeg ik alvast dit: vanuit
het idee van Algemene Vorming zou je je kunnen afvragen of informatica (of meer
specifiek: programmeren) in het curriculum thuishoort en niet eerder in het
beroepsonderwijs. Zoals je zelf al zei: waarom niet vooral thinking
leren op school in plaats van computational thinking? Eén van zijn
argumenten zou zijn, denk ik, is dat je juist binnen het vak informatica leert
op een wiskundig-logisch wijze na te denken (hij is behalve informaticus
overigens ook wiskundige). Analytisch denken, abstraheren, in sequenties denken
kan je (moet je) natuurlijk binnen verschillende contexten leren; daar heb je
in principe geen programmeertaal voor nodig. Maar onze kennis van de wereld
komt steeds meer in gedigitaliseerde vorm tot ons, we zijn afhankelijker van
digitale apparaten, communicatie, gegevens. Het is naïef om te denken dat
leerlingen dat allemaal uit zichzelf wel snappen omdat ze de hele dag aan het
whatsappen en instagrammen zijn. Er zijn teveel leerlingen die geen idee hebben
van de wereld die achter de touchscreens en interfaces schuil gaat: noch de
structuren, noch de ‘taal’. Alleen de discussie voeren over programmeren op school
is dan ook te beperkt. Het gaat om het hele digitale domein: basiskennis ICT, informatievaardigheden,
mediawijsheid. Computational thinking en programmeren maken daar deel van uit.
Juist op dít vlak is het de taak van het algemeen vormend
onderwijs om álle leerlingen de taal en vaardigheden te leren waarmee ze de hen
omringende digitale wereld niet alleen beter begrijpen. Receptief, maar ook
kritisch en actief: hoe kunnen de burgers van straks een bijdrage te leveren
aan die digitale wereld. En het helpt om dat nu op school met die digitale
middelen zélf te doen. Het gaat dus om demystificatie, begrip, emancipatie én
het naar je eigen hand zetten, liefst creatief, scheppend. Moet je daar een
apart vak voor maken? In de onderbouw niet, denk ik. Dat hebben we al gehad
(informatiekunde) en dat is jammerlijk mislukt: geschrapt, wegbezuinigd,
opgelost in andere vakken, maar niet samenhangend aangeboden, beschreven en
geborgd. Op zeker moment ontstond er in het onderwijs zelfs de
overtuiging dat kinderen die basale digitale vaardigheden zelf wel zouden oppikken:
kritisch omgaan met bronnen, informatie ordenen, een bestand opmaken, bewaren
(al dan niet in de cloud) en naar iemand sturen, een veilig wachtwoord
aanmaken.
Nou niet dus. Best wat kinderen kunnen googelen en een powerpoint
maken als ze in de brugklas komen: als ze een meester of juf hebben gehad die
dat belangrijk vonden, thuis een computer hebben, ouders hebben met kennis van
zaken, tijd en aandacht. Natuurlijk heb je de gisse jongetje die los gaan met
minecraft en websites, maar veel te veel kinderen kennen alleen
consumententoepassingen: spelletjes downloaden en spelen, facetimen, iets kopen
via Internet. En daar wordt het, zie ik ook bij mij op school, schrijnend. Een
doorgaande leerlijn digitale geletterdheid moet niet uitmonden in een apart
vak, maar alle digitale vaardigheden zouden in alle vakken een geïntegreerde
plaats moeten krijgen – inclusief computational thinking en programmeren.
Maar ook
al zo ver zijn we nog niet.
2. iets over analoge
en digitale media, inhoud en maken
Je hoeft geen neo-luddiet te zijn om kritisch te staan
tegenover de het tempo waarin digitale technologie zich ontwikkelt. Een niet te
onderschatten neo-libarale macht is de drive van alle over elkaar heen
buitelende software-updates en nieuwste smartphone-generaties. Ikzelf probeer
in mij persoonlijke leven terughoudend te zijn ten opzicht van digitaal
media-gebruik, en dat valt niet mee. Ik ben het hartgrondig met je eens wanneer
je stelt dat de smartphone verslavend (zie het artikel van Johannes Visser hierover, ES) is en gif voor puberhersens die nog
moeten léren denken (stevig, met aandacht, grondig, gestructureerd en
structureel) als je ze ongelimiteerd hun gang laat gaan met dat ding – en dat
je je (als je dan zo’n telefoontas in je klaslokaal hebt hangen) als docent al
teveel een knieval doet wanneer je elke les een kahoot-kwisje doet (want idd 24
appjes, 3 insta-meldingen etc.).
Maar die apparaten zijn er. En ze gaan niet
meer weg.
Een hele generatie alleen vertellen wat ze níet moeten doen met
die apparatuur, veronderstellen dat ze vanzelf wel mediawijs worden en in het
beroeps- en hoger onderwijs ervan uitgaan dat ze zich opeens digitaal wel
redden is armoedig.
Veel digitale toepassingen bieden immers ook fantastische
nieuwe mogelijkheden, wat mij betreft náást de analoge, niet per se in plaats
van. Je kan een wiskundig object tekenen met potlood op papier, maar ook
ruimtelijk in een 3-D-programma ontwerpen (met een behoorlijke portie rekenwerk)
én ‘m uitprinten om te kijken of het klopt wat je hebt bedacht. Je ontwerp
steeds opnieuw aanpassen en variaties maken is makkelijker op de computer dan
op papier. Of een arduino met een bewegingssensor gebruiken om een
voetgangersstoplicht langer op groen te laten staan, wanneer een bejaarde (met
chip) wil oversteken (projectje bedacht door een leerling binnen dat vak MAD).
Als je snapt hoe photoshop werkt door het zelf te doen, en je eigen portret extreem
te verfraaien (of nog leuker: te verdraaien), word je je bewuster van de
gemanipuleerde wereld om je heen. Etcetera. Heb je daar een uitgebreid
geoutilleerd e-l@b voor nodig? Niet per se, maar het helpt wel als je digitale spullen
hebt die van nu zijn en die het doen. De relevantie van wat leerlingen leren
wordt in ieder geval vergroot.
Niettemin. Het blijven media, die spullen: middelen, geen
inhoud. De uitdaging is om die middelen te koppelen aan onderwijsinhoud waarmee
je leerlingen in staat stelt zélf iets te verzinnen, te maken. Daar heb je een
nieuwsgierige en onderzoekende houding voor nodig. Die digitale middelen zijn
tamelijk geavanceerd, technologische ontwikkelingen en de opvolging van
softwareversies gaan sne, ik noemde het al. Het gaat er dus om die leerlingen
zelf dingen uit te laten zoeken: hoe werkt dit apparaat, deze applicatie, wat
is het achterliggende principe, wat kan ik er zelf mee? Dat proberen we onze
leerlingen binnen MAD aan te reiken.
Ik ben kunstdocent. Niet voor niets. Mijn vak gaat over het
koppelen van inhoud aan vorm, op een persoonlijke manier. Betekenisverlening,
interpretatie, je uitspreken en verhouden tot de wereld. Binnen de kunsten maak
je iets: met een bepaald materiaal, dat je verhaal versterkt, met een passende
techniek. Dat is altijd zo geweest, en dat kan niet anders. Digitale
technologie is een uitbreiding van het palet van media. Elk medium heeft z’n specifieke
zeggingskracht en mogelijkheden. In de cyclus van doen, ervaren, kijken (of
luisteren), benoemen, en daarop reflecteren leer je die verschillende
uitdrukkingswijzen te onderscheiden. We leren onze leerlingen hun eigen thema’s
te formuleren (eerst tamelijk gestuurd, allengs steeds vrijer), kritisch na te
denken over wat ze willen vertellen en vooral waarom. En waarom dat dan
met dít materiaal en déze techniek moet. Soms in waterverf, soms met de
lasersnijder. Of een combinatie natuurlijk. En met elkaar, in een
leergemeenschapje, waarin we ze leren elkaar te bevragen en te helpen. As
docent reiken we thema’s aan en materialen en technieken: analoge én digitale.
Dat doen we vanuit het principe van maakonderwijs, een model dat naadloos
binnen het kunstonderwijs past. Maakonderwijs-didactiek koppelt technologie aan
creativiteit: onderzoeken en ontdekken hoe iets werkt, wat ze zeggingskracht
van iets is, en dan bedenken wat je er zelf mee wilt doen.
Ik denk dat we zo, binnen MAD, maar ook binnen de andere
kunstvakken in de onderbouw, een productieve, aan inhoud gekoppelde, creatieve,
persoonlijke en relevante bijdrage leveren aan de digitale geletterdheid van
onze leerlingen. Maar ook hier geldt: we zijn nog maar net begonnen…
Het was leuk om je te spreken. Ik ben erg benieuwd wat je
met je observaties gaat doen. En ik ga vanaf nu weer alles van je lezen ;-)
‘Zo. Nu wordt de maandagmiddag eindelijk leuk.’ Dat is best
een uitspraak voor een leerling uit Atheneum 4 die net z’n eerste maandag na de vakantie heeft
gehad. En die les duurde maar liefst 3 uur. Achter elkaar. Nogal
een overgang voor deze jongen, die acht weken vooral heeft zitten gamen en
programmeren en nu weer in ‘t gareel moet. En blijkbaar viel het niet tegen.
Overgangen hebben we natuurlijk allemaal alweer riant gehad (en
dan nóem ik niet eens de overgangen van de rapportvergaderingen in juli – 3
levens geleden). Opeens is zo’n vakantie dan toch echt voorbij en we moeten
schakelen van zonnebrand naar code oranje. Van tijdloosheid naar 200 % inzet. Van
stilstaan naar heel hard hollen. Naast de gebruikelijk dingen met grote
hoeveelheden leerlingen, boeken, roosters, plattegronden, dummies en lijstjes ‘things-to-do’
die ondanks alle goede voornemens tóch nog zijn blijven liggen, waren er dit
jaar ook: de eerste les MAD
– media art & design met Atheneum 4 (en ja, de betreffende leerling van het
maandagmiddagcitaat was in díe MAD-les), de inrichting van ons e-l@b, een
verdubbeling van onze kunstsectie (niet alleen in aantal, maar ook in
disciplines: we hebben bijvoorbeeld opeens een collega die kunst en natuurkunde
geeft). Allemaal nieuwnieuwnieuw. En een eigen kind in de brugklas maakt de overgang van de
veilige groep acht met vertrouwde en overzichtelijke dagen, mensen en leertaken
naar de middelbare school wel heel erg voelbaar. ‘Het is wel leuk, hoor mam,
maar het is zo véél.’ En ja: hij is echt zwaar, zo’n brugklastas.
In mijn eerste schoolweek was er ook nog een intens en
inspirerend doe-het-zelf-festival
in de Drentse bossen, een even inspirerend eerste redactietreffen in Tilburg van
het blad Kunstzone waar ik tegenwoordig voor
schrijf
(lees dit blad! En nu zeker: van binnen en van buiten geheel gerestyled!) en
het laatste basisschoolfeestje van de brugklasdochter. Dan móet je schakelen: van
overgang naar overgang wat veel ‘food for thought’ oplevert. Wat blijft, wat
kan weg, wat moet anders?
Er zijn bij mij op school dingen ten goede veranderd ten
opzichte van vorig jaar: geen dwingende bel meer, telefoonzakken
in de klassen. Dakpanklassen, opnieuw actief taalbeleid, meer differentiatie in
de les. Er is groei: tien brugklassen in plaats van zes, meer jonge collega’s.
Er staan mooie dingen op stapel: best
veel vakoverstijgende projecten, pilots digitale geletterdheid, een Da
Vinci-project, ‘klooiavonden’ in het e-l@b. Geen teamvergaderingen, veel zelf
te besteden sectietijd met krakelingen en Turks Fruit. Geen agenda’s en
notulen, maar het whiteboard en de groepsapp. Kortom: we schakelen volop.
Dat moet ook. Want ondertussen zien we om ons heen allerlei maatschappelijke
overgangen: in onze manier van werken (de 24/7 economie, verregaande robotisering), onze manier van leren en communiceren (VR als onderwijsmodel), onze omgang met de opwarmende aarde. Talloze transities in politiek, technologie, samenleven: er ontstaan alternatieven, we delen, we doen de dingen bottom-up en tailor-made.
Lang niet alle overgangen omarm ik, er zijn veel transities die me grote zorgen
baren. Maar stilstand in een snel veranderende wereld is echt achteruitgang en
een herijking van wat we onze leerlingen bijbrengen is hoogstnoodzakelijk – zo veel
is duidelijk. Het duurt alleen zó lang voor het reguliere onderwijs meebeweegt,
grotere stappen in flexibilisering maakt. Wanneer verloopt die overgang PO – VO
eindelijk eens soepel, wanneer slechten we de drempels tussen de vakken,
wanneer mag een leerling getrapt examen doen op verschillende niveaus, wanneer
verdwijnen die rigide examens überhaupt?
Het project MAD op mijn school geeft hoop, wat mij betreft.
Het recept is eenvoudig: kijk over de grenzen van je vak de wereld in, rooster
de vakken Kunst en Informatica achter elkaar op maandagmiddag, leer als
vakdocenten elkaars taal spreken, krijg leerlingen zo ver dat ze de beide
vakken kiezen en je hebt een nieuw vak waarin creativiteit, technologie,
onderzoek, experiment en samen ontwikkelen centraal staan. Een relatief kleine
stap, met grote effecten.
Mijn motivatie voor dit nieuwe schooljaar haal ik uit dit
soort kleine stappen die – dat hoop ik dan maar – uiteindelijk tot de overgang
naar een grotere verandering leiden. Ik kan niet wachten tot de volgende stap.
* Voor mijn vrouwelijke generatiegenoten: gefopt! Dit blogje
ging niet over waar je dacht dat het over ging ;-)
Woensdagochtend CKV. Het is doodstil in mijn vierde klas.
Best lang. Geen kuchje, geen geschuifel, geen gevatte opmerkingen. Een praatgraag meisje kijkt voor zich uit. Haar buurman kijkt naar zijn handen. We hebben net gekeken naar de openingsscène van de film ‘Son
of Saul’, Grand Prix winnaar Cannes in 2015. Vorige week onderbrak de
bel-die-niet-ging de op zich al verontrustende scène die veel scherpte-diepte
laat zien, maar dat was nog niet het heftigste stukje. Dat stond vandaag op het
programma. En dat hakte er in: een joodse Auschwitzgevangene (van het 'Sonderkommando') die net aangekomen Joden naar de gaskamers begeleidt. Ze denken
dat ze gaan douchen. Dan gaan de deuren dicht. Je ziet niets; je hoort des te
meer. (Op YouTube
is alleen het eerste deel van deze scene te vinden. Vul de rest zelf in.)
Ik heb me afgevraagd of ik dit wel moest laten zien. Ik
sprak met mijn collega over de keuze van de filmfragmenten. We hebben het
namelijk over filmtaal: montage, decoupage, close-up, hand-held camera, scherpte-diepte. En hoe je met beelden en geluid een verhaal kan vertellen. We
analyseren een aantal fragmenten, uit divers aanbod. Van klassiekers als ‘Once
upon a time in the West’ tot 'Mad Max' (ja, de nieuwste uit 2015). En Son of
Saul. Geen lichte kost. Dat kan ook met Disney-films. Maar dan is het nadien
niet zo stil.
Met CKV doen we cultureel laagdrempelige dingen: iets met
film, iets met fotografie, iets met muziek. We praten over inhoud en vorm. We
geven leerlingen begrippen waarmee ze kunnen analyseren. We laten ze
concluderen dat de muziek waar ze elke dag naar luisteren ook cultuur is. Dat
de series die ze op Netflix bekijken met dezelfde beeldtaal gemaakt zijn als de
fragmenten die we bekeken hebben. In mijn vierde klas legt iemand de relatie
tussen het bekeken filmfragment, Trump en de vluchtelingencrisis.
Veel van onze leerlingen vinden kunst en cultuur op voorhand
stom: ver weg, elitair en onbegrijpelijk. In ieder geval niet iets voor hen.
Want het hangt in musea of het is in een theater. Het is duur en het slaat
nergens op. En alleen oude mensen gaan er naartoe.
Veel van onze leerlingen komen uit cultureel armoedige milieus. Ze hebben
baantjes en mobieltjes. Ze hebben het druk met school, met elkaar, met de sportclub.
Er is niet per se een cultuur van engagement: niet met de wereld, laat staan
met de wereld van kunst en cultuur. Ik lees in een CKV-verslag: ‘Wat er in de
wereld gebeurt boeit me niet, want ik kan er toch niets aan doen.’ En zo is het
natuurlijk ook: we hebben het gevoel dat we weinig kunnen doen tegen ellende
ver weg. En we raken afgestompt als we niet uitkijken. De Volkskrant
publiceerde een artikel
over toegenomen stressfactoren, mede veroorzaakt door de digitale informatie-overload.
En mijn leerlingen zeggen: “We hebben geen krant. Mijn ouders kijken op nu.nl.
En ik op facebook.”
Een docent zoekt naar de brug tussen de soms kleine wereld
van z’n leerlingen en de grote, complexe, brandende wereld om hen heen. De stap
mag niet te groot zijn, maar het moet wél ergens over gaan. Kunst, hoog- en
laagdrempelige, helpt om die brug te slaan: niet door feiten te presenteren,
maar door vragen te stellen. Door te verbeelden – eventueel op het
ongemakkelijke af.
Mijn CKV leerlingen moesten naar de World Press Photo-presentatie
in de synagoge. In een CKV-verslag lees ik: ‘Ik was nog nooit naar een
tentoonstelling geweest. Maar ik moet zeggen: het viel me erg mee. Ik vond het
best leuk. En de meeste foto’s waren mooi, en knap gemaakt, ook al vond ik
sommigen wel heftig. Of niet zo boeiend. En de kerk was ook heel bijzonder.
Daar was ik nog nooit geweest en mijn vader ook niet.’
De derde klassen hebben van mij de opdracht gekregen om een
campagne te bedenken voor een thema dat hen na aan het hart ligt. En waarmee ze
de wereld een klein beetje beter zouden kunnen maken. Dichtbij en
kleinschalig of ambitieus en verder weg,
het mag allemaal. Een schrikbarend aantal leerlingen weet niks te bedenken: “Ik
vind alles wel goed zo.” Ik moet soms diep graven om samen met hen te
onderzoeken waar de knop zit: “Wat doe je in het weekend? En wat kan er anders
in de voetbalkantine?” We kijken naar een fancy 3D-animatie van Studio Smack
over de eventuele mogelijkheid om Coca Cola-reclame tot in je droom te laten
doordringen, met behulp van neurotechnologie. Ik hou ze voor: ‘jongens, dit is
kunst hoor!’ Ze zijn verbaasd. De discussie gaan verder: “Is dit feit of
fictie? Is reclame goed of slecht? En propaganda dan?” We hebben het ergens
over.
Enkele lessen later. Een jongen uit 3 havo die grote moeite
heeft met tekenen verzucht: “Kijk mevrouw, dit is nou een opdracht waar ik óók
iets mee kan. Ik vind het gewoon leuk.” En hij kijkt me stralend aan, want hij
heeft een mindmap gemaakt én een paar schetsen voor een logo. Hij heeft een
thema te pakken waar hij wel over wil nadenken. “Ze denken altijd dat ik Turks
ben, maar dat ben ik niet, ik ben Indo. Ik vind: het maakt niet uit wat je
bent. Als je maar respect hebt voor elkaar.” Hij heeft al een paar ideeën voor
zijn campagne. “Een beetje gejat van Amnesty, van die posters enzo. Dat mag
toch wel?” Tuurlijk mag dat. Niet iedereen is al zo ver, maar dit stemt hoopvol.
Ik dring mijn leerlingen kunst op: soms ongemerkt, soms ‘in
their face’. Degelijke kunst laat ons anders naar de wereld kijken, laat ons
dingen beleven waar je stil van wordt. Ervaringen die je aan het denken zetten.
Of het laat je dingen benoemen die je niet eerder onder woorden kon
brengen. In een goede film, een goede foto, een interessante animatie vallen
vorm en inhoud samen en daar kan je het over hebben. Kunst laat je je positie in
de wereld bepalen, waartoe je je moet verhouden.
Kunst is relevanter dan ooit – als je de thema’s en voorbeelden durft te kiezen
die relevant zijn. Of kunnen worden, door ze (laagdrempelig, toegesneden op deze
klas, op deze leerlingen) te bekijken en te bespreken. Zo kunnen we het hebben
over de wereld waar onze leerlingen in opgroeien – en waar ze voorlopig in
verder moeten. En dat is wat we moeten doen, hoe taai en lastig dat soms ook
is.